Bij het bekijken van de wereldkaart wil Groot Ventje weten waar Mijn Liefste en ik al geweest zijn.
'In al die landen rond het onze, en in Italië natuurlijk, zie je dat zwarte bootje? Dat is Venetië, daar zijn we ook geweest. En op dat grote eiland, daar, dat is Sicilië, heel mooi is het daar. En daar, dat land met die druifjes, dat is Frankrijk, daar zijn we ook geweest. En daaronder, in Spanje, ben ik nog geweest toen ik nog op school zat.'
Spanje wordt op de kaart in kwestie opgefleurd door een koppel in flamenco-outfit.
'O!' wijst Groot Ventje opgewonden. 'Zijn dat papa en jij?'
16.6.07
Sterren op de dansvloer
De wereld, een dorp
Groot Ventje kijkt in een informatief boek. Op een wereldkaart staan een handvol kleine tekeningetjes, bakentjes in de uitgestrektheid van de wereld. Een piramide bij Egypte, een gigantische muur bij China, een kangoeroe bij Australië. De ogen van Groot Ventje zoeken Europa. 'O kijk,' zegt hij plots, terwijl hij naar een minuscule afbeelding van de Eiffeltoren wijst. 'Dat is de kerk waar wij elke dag voorbijkomen als we naar school rijden!'
11.6.07
Schat
We staan met zijn allen in de helikopterloods te wachten tot we een kijkje mogen nemen bij en in de Seaking.
Vriendje E. loopt wat dichterbij, bukt zich, raapt iets op.
'Een stofje van de helikopter!' roept hij enthousiast.
Proeven
Groot Ventje en proeven, dat gaat niet goed samen.
Nieuwe smaken, hij moet er niets van hebben.
Proeven is gevaarlijk, de mond kan beter dicht als er iets nieuws in zicht komt.
Vertrouwde smaken: die zijn veilig.
Groot was dan ook mijn verbazing toen ik hem op kamp bezig hoorde tegen vriendje V., wiens bord vol boterhamkorstjes lag.
Groot Ventje: 'Lust jij geen korstjes?'
Vriendje: 'Nee.'
Groot Ventje: 'Maar heb je ze wel eens geproefd?'
Vriendje V. blijft stil.
Groot Ventje: 'Maar V., als je iets nog niet geproefd hebt, kun je niet zeggen dat je het niet lust hoor.'
La mer revisited >< Het kamp
Groot Ventje ging voor het eerst op kamp met de klas. Naar zee.
Twee dagen lang.
Spelen op het strand, zwemmen, lekker eten (mét aperitiefhapjes), spelen op de kampplaats, allemaal samen slapen (maar wat een onweer), ontbijten met warme chocolademelk, een bezoek aan de helikopterbasis van Koksijde...: het was een fijn kamp.
2.6.07
O, wat mooi
'Maar op een dag dreef er in de rivier een kist voorbij. De kleine beer viste de kist uit het water, rook eraan en zei: "Oooh... bananen."
En wat stond er op de kist?
"Pa-na-ma," las de kleine beer. "Die kist komt uit Panama, en Panama ruikt naar bananen. Aaah, Panama. Dat is het land van mijn dromen," zei de kleine beer. Hij liep naar huis en vertelde de kleine tijger tot diep in de nacht over Panama.'
1.6.07
Amsterdam
Snel een dagje heen en weer voor een interview met John Green (boeiend), en een lunch met een dierbare vriend (fijn).
Toen de trein het Centraal Station binnenreed, overviel me een gevoel van jaren geleden. Laat ik het maar het Brideshead-gevoel noemen. Amsterdam - a name so familiar to me, a conjuror’s name of such ancient power. Herinneringen overspoelden me - a multitude of sweet and natural and long forgotten sounds. Míjn Amsterdam is het Amsterdam van de grachten, van de winkeltjes in de negen straatjes, van Atheneum en toen nog W.H. Smiths, van de rommelmarkt op de Noordermarkt en de bloemenstalletjes op het Singel, van een tuin op de Keizersgracht, mét poezen, en een eethuisje in de Jordaan, van een rez-de-chaussee op de Prinsengracht en een muziekwinkel vol oude elpees, van de Vermeers in het Rijksmuseum en de hand op de buik van het Joodse bruidje, van een openlucht-Fellini in het Vondelpark en een bijna-monnikachtige Rembrandt. Het Amsterdam ook van een grachtenhuis drie hoog, van blauwe balken en houten vloeren, van een dakterras vol bloemen en zomeravonden met het raam wijd open op de gracht, van witte wijn en aardbeien, van een blauwe klok hoog aan de muur. En ook het Amsterdam van Prego - geen beter kader denkbaar voor dat prille, tweede etentje met Mijn Liefste -, van een winters-warm bezoek, toen de stad ondergesneeuwd was, we warmte zochten bij elkaar en de wegen op de terugweg spekglad waren, het Amsterdam van een veel te kort weekendje weg, en dan nog dat bijzondere speelgoedwinkeltje lopen zoeken, voor een Ziek Achtergebleven Ventje. Amsterdam...
Boekieboekie
Eén dag
'She remembered once throwing a shilling into the Serpentine. But every one remembered; what she loved was this, here, now, in front of her; the fat lady in the cab. Did it matter then, she asked herself, walk-ing towards Bond Street, did it matter that she must in-evitably cease completely; all this must go on without her; did she resent it; or did it not become consoling to believe that death ended absolutely? but that somehow in the streets of London, on the ebb and flow of things, here, there, she survived, Peter survived, lived in each other, she being part, she was positive, of the trees at home; of the house there, ugly, rambling all to bits and pieces as it was; part of people she had never met; being laid out like a mist between the people she knew best, who lifted her on their branches as she had seen the trees lift the mist, but it spread ever so far, her life, her-self.'
'She came into a room; she stood, as he had often seen her, in a doorway with lots of people round her. But it was Clarissa one remembered. Not that she was striking; not beautiful at all; there was nothing picturesque about her; she never said anything specially clever; there she was, however; there she was.'
'Those ruffians, the Gods, shan't have it all there own way- her notion being that the Gods, who never lost a chance of hurting, thwarting and spoiling human lives, were seriously put out if, all the same, you behaved like a lady.'
(Virginia Woolf, Mrs Dalloway)
Aan zee las - herlas - ik Mrs Dalloway van Virginia Woolf. Een boek om langzaam langzaam te lezen, ideaal dus voor op een terrasje in de zon.
Ik las het boek eerder, meer dan vijftien jaar geleden, voor een college Engelse literatuur. Ik weet nog hoe ik toen bijna verdronk in die zinnen van haar. Al begreep ik ze soms niet, op de een of andere manier boeiden ze me.
En nu?
Weer had ik het gevoel soms te verdrinken in haar prachtige zinnen. Ik dreef mee op de golven van haar boek, de golven van de soms ellenlange zinnen, soms ging ik kopje onder, en moest ik even teruglezen. Maar wat een genot, wat een prachtige, poëtische taal.
Mrs Dalloway lijkt het verhaal te vertellen van een dag uit het leven van Clarissa Dalloway, een Londense die haar party van die avond voorbereidt. Maar het boek gaat over veel meer, het overstijgt al snel het personage van Clarissa, en het overstijgt al evenzeer die dag in juni. Door middel van innerlijke monologen en stream of consciousness doet Virginia Woolf hier iets heel indrukwekkends: ze schetst een intrigerend beeld van niet één, maar een hele reeks personages op die dag in juni, maar tegelijk ook van hun hele leven. Ze dringt door in hun gedachtewereld, en laat die gedachten de voortgang van het boek bepalen, het verhaal sturen, afdwalend, mijmerend, analyserend. Herinneringen duiken op, strijden met elkaar om aandacht, gedachten dringen zich naar de voorgrond en staan, banaal of uiterst belangwekkend, zonder onderscheid naast elkaar. Woolf springt van het ene personage naar het andere, waardoor één grote stream of consciousness lijkt te ontstaan, die de beperktheid van het hier en nu en het ik overstijgt. De rechtlijnigheid wordt volledig opgegeven, het boek dwaalt af naar vele momenten, vele gebeurtenissen, vele levens, en gaat zo over zoveel meer dan alleen die ene Londense die op het punt staat een belangrijk society-feest te geven. Mrs Dalloway schetst een haarscherp beeld van een tijdperk waarin het aanschijn van Engeland voorgoed veranderde, zit vol sociale kritiek, analyseert the hearts and minds van zeer uiteenlopende personages. Maar hoe het boek ook meandert en heen en weer golft in de tijd, Woolf slaagt erin het uitgangspunt vast te houden: doorheen het boek weerklinken de slagen van de Big Ben, die aangeven hoe de dag in juni vordert en het feest dichterbij komt. De breedheid, de weidsheid van een heel leven, van vele levens, allemaal in de loop van één dag: wat een prestatie!
31.5.07
Voor meisjes
De Karavaan is een nieuwe kinderwinkel, in Oostduinkerke.
En wat voor een.
Kleertjes, maar vooral accessoires en speelgoed.
Niet de spullen die je in elke speelgoedwinkel ziet, zelfs niet de vertrouwde 'betere' merken, neen, alles hier is origineel, verrast, prikkelt.
Ik moet naar binnen.
Mijn Liefste volgt, niet-begrijpend.
Een grote rode koffer met witte stippen? Of drie kleine rode koffertjes met kleinere witte stippen, om op elkaar te stapelen? Of de grote koffer, maar dan donkerblauw, met witte stippen?
Ik twijfel.
Wat zou Groot Ventje leuk vinden?
Ik zoek raad bij Mijn Liefste.
'Dat zijn geen spullen voor jongens,' klinkt het nuchter.
Ik blijf twijfelen, ga de winkel uit met een opblaaswereldbol en drie badspeeltjes.
Mét Groot Ventje.
Hij wil de grote rode.
Ik werp een triomfantelijke blik naar Mijn Liefste.
Ik snuister nog even verder, zeg aan Groot Ventje dat hij mag kijken of hij nog leuke dingen ziet.
Enkele tellen later zit hij op het trapje bij de ingang.
'Ik zie hier niks. Dit is een winkel voor meisjes,' zucht hij.
Ik toon de ballen, de blikken robotjes, het ridderboek, de piratendoos.
Ik wijs naar de helmen, schilden, zwaarden.
Hij is niet overtuigd: 'Dat is voor als meisjes zich willen verkleden als ridder.'
Heeft Mijn Liefste dan toch gelijk?
De Karavaan is een heerlijke winkel, waar je je ogen uitkijkt, vol hebbedingen.
Een winkel voor meisjes.
En mama's.
Verleiding
Een vinger voelt veilig.
Als je op twee wiebelende beentjes de wereld verkent, maakt dat vingertje veiligheid het verschil.
Dan kan alles.
Dan mag het weids en ver en onbekend.
Maar niet in zijn vertrouwde omgeving liet Klein Ventje los.
Nee, aan zee, in een appartement, met alles nieuw en verleidelijk en niet af te blijven, dáár begon hij te stappen.
14.5.07
Voorzichtige waaghals
Klein Ventje klautert in de speelgoedmand, om van daaruit een knietje op het bankje te zetten, richting televisie. Van in zijn eetstoel - mét beugel - zit hij in een mum van tijd op de keukentafel. Gisteren keek ik een halve seconde weg en hij stond al op de bovenste verdieping van de houten garage van Groot Ventje.
Maar als hij op zijn voetjes staat, vooruit wil, maar een vinger steun mist, gaat hij behoedzaam weer zitten en kruipt naar zijn doel.
Broederliefde
Groot Ventje: 'Als ik later met een meisje trouw, dan krijg ik de verkeerde baby's.'
Van zo'n uitspraak blijf ik even stil.
Groot Ventje: 'Ha ja, want ik wil ook Klein Ventje als baby!'






















